Honggweilo
31st May 2010, 15:09
Na de het uitbreken van de economische crisis waren de meeste critici het er wel over eens: het kapitalisme heeft gefaald. Toch zijn het juist de socialisten in Europa die er van de kiezer van langs krijgen: in Frankrijk en Duitsland hebben de Parti Socialiste en de SPD pijnlijke nederlagen geleden, in Engeland ligt Labour zwaar onder vuur en in Nederland voorspellen peilingen al maanden dramatische zetelaantallen voor de PvdA en de SP. Straft de burger nu de verkeerde partijen af voor de omvallende banken? Niet helemaal. Want de crisis blijkt vooral het resultaat te zijn van een ongelukkig verbond tussen twee ideologieen die elkaar altijd tot op het bot hebben bestreden. Een analyse.
De crisis was toch de schuld van het kapitalisme?
Maar kiezers keren juist de socialisten de rug toe. Als straf voor een ongelukkig ideologisch compromis
Door Rob Wijnberg
Aflevering 100 van de reeks dilemma’s die Rob Wijnberg bespreekt naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: de kiezers en de Partij van de Arbeid.
De PvdA verkeert in zwaar weer, letterlijk en figuurlijk. Begin vorige week vroegen PvdA’ers Paul Kalma en Pierre Heijnen aan staatssecretaris Bijleveld om uitstel van toekomstige gemeenraadsverkiezingen, omdat het in februari en maart „te koud” zou zijn om campagne te voeren. Alom viel hoongelach de twee Kamerleden ten deel. Het CDA stelde onmiddellijk vijftig groene mutsen ter beschikking en de eigen jongerenafdeling bood zelfs een retourtje Benidorm aan. Op internet werden Kalma en Heijnen uitgemaakt voor „watjes” die de kiezer „al jaren in de kou” hadden laten staan.
Politiek gezien was de uitspraak dan ook een „grote domme fout”, zoals partijleider Bos het zei. Maar metaforisch was het wel een treffende omschrijving van de staat waarin de PvdA verkeert. De gevoelstemperatuur zal binnen de sociaal-democratische gelederen niet erg hoog zijn. De partij schommelt immers al maanden rond de twintig zetels – een historisch dieptepunt. Lokaal zijn de vooruitzichten nog erger: in Amsterdam bijvoorbeeld wordt bij de komende gemeenteraadsverkiezingen een halvering van het zetelaantal voorspeld. En ook het ledenaantal van de partij, nu 54.500, is lager dan ooit.
Het slechte nieuws blijft bovendien aanhouden. Vlak na de blunder van Kalma en Heijnen kwam ook voormalig PvdA-leider Wim Kok in opspraak door, ten overstaan van de commissie-De Wit, de miljoenenbonussen in de financiële sector te verdedigen. Als premier had Kok in 1997 de enorme salarisverhogingen in het bedrijfsleven nog „exhibitionistisch” genoemd, maar als commissaris van ING ging hij zeven jaar later akkoord met een salarisstijging voor het bestuur van bijna 600 procent. Tegen de commissie zei Kok dat deze „opwaartse correctie van het beloningspakket” in het belang van de bank en van de „BV Nederland” was.
Daarmee werd het beeld van de PvdA als een elitaire regentenpartij die het contact met de ‘gewone man’ is kwijtgeraakt wederom bevestigd. Als schrale troost kan de partij aanvoeren dat de sociaal-democraten het ook elders in Europa moeilijk hebben. In Frankrijk bijvoorbeeld verloor de Parti Socialiste in 2007 de verkiezingen van de conservatief-liberale UMP met ruim zes procent – een voor Franse begrippen ruime marge. En in Duitsland won de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) in 2009 slechts 23 procent van de stemmen – de slechtste score sinds de Tweede Wereldoorlog. The New York Times sprak al van een „gestage ondergang van het Europese socialisme”.
Een veelgehoorde verklaring voor die ondergang is dat de natuurlijke achterban van de sociaal-democraten als vanzelf is verdwenen. Het sociaal-democratische programma is immers, zeker in Nederland, grotendeels gerealiseerd. Ons land kent een uitgebreid systeem van sociale zekerheid, een progressief belastingstelsel, een scala aan vakbonden, een wettelijk vastgesteld minimumloon en omvangrijke rechtsbescherming van werknemers. Partijen als de PvdA lijken dus een deel van hun bestaansrecht te hebben verloren. Dat wordt nog eens bevestigd door het feit dat de SP niet van de leegloop bij de PvdA profiteert. Ook die partij staat in de peilingen op de helft van het aantal zetels dat ze nu in de Tweede Kamer heeft.
Toch is dit verval in het licht van de huidige economische crisis wel opvallend te noemen. Volgens een grote groep prominente (linkse) denkers, onder wie Noam Chomsky, Slavoj Zizek en Naomi Klein, is de crisis die in 2007 begon immers voornamelijk te danken aan een politieke ideologie die het socialisme altijd heeft bestreden: het vrijemarktkapitalisme. Uitgaande van de kapitalistische stelregel dat het najagen van het individuele eigenbelang ook de gemeenschap ten goede zou komen, werden westerse economieën in razend tempo geliberaliseerd.
De staat trok zich terug uit de publieke sector door talloze overheidsdiensten te privatiseren. Ook de financiële sector werd sterk gedereguleerd. Zo kon een cultuur ontstaan van ‘exhibitionistische zelfverrijking’, zoals Wim Kok het noemde, waarin bedrijfswinsten, beurskoersen en bonussen belangrijker werden dan het collectieve welzijn. Toenemende ongelijkheid werd geaccepteerd uit naam van ‘marktwerking’ en arbeidsplaatsen werden zonder pardon uitbesteed aan lagelonenlanden onder het mom van ‘efficiency’, aldus critici.
Uit een verzet tegen deze cultuur is het socialisme nu juist voortgekomen. Aan het einde van de 18e eeuw waarschuwde de Britse filosoof Robert Owen (1771-1851) als een van de eerste denkers dat de Industriële Revolutie en de daarmee gepaard gaande concurrentie en privatisering van rijkdommen onherroepelijk zouden leiden tot perverse ongelijkheid en economische crises. Bovendien zette het kapitalistische systeem de mens aan tot winstmaximalisatie en dus tot egoïsme en asociaal gedrag, aldus Owen. Om dat tegen te gaan pleitte hij, net als zijn tijdgenoot Karl Marx (1818-1883), voor afschaffing van het kapitalisme gebaseerd op marktwerking en invoering van een planeconomie met de staat als hoeder van het collectieve belang.
In ideologische zin lijken de socialisten en sociaaldemocraten door de economische crisis dus gelijk te hebben gekregen. Miskent de kiezer dat door hen uitgerekend nu de rug toe te keren? Het lijkt erop, maar dat zou te kort door de bocht zijn, zeggen critici als historicus Thomas Woods (1972) en filosoof en grootinvesteerder James Rogers Jr. (1942). Het socialisme treft volgens hen namelijk evenveel – zo niet meer – blaam voor de crisis als het neoliberale kapitalisme.
Zo werd de Amerikaanse huizenbubbel mede veroorzaakt door de semipublieke hypotheekbanken Fanny Mae en Freddie Mac, die gesteund door de regering enorme risico’s konden nemen. De overheid had namelijk het ideaal voor ogen dat iedere Amerikaan eigenaar zou worden van een eigen huis en moedigde het daarom aan hypotheken te verstrekken aan families die zich dat niet konden veroorloven. Bovendien waren het overheden, niet de markt, die via de centrale banken geld bleven bijdrukken om de overmatige consumptie van het Westen te kunnen financieren, aldus Woods.
Dat de wereldwijde financiële sector uiteindelijk voor velen miljarden dollars van de ondergang werd gered, was bovendien ook een overheidsingreep. Zo werd de zuiverende werking van de vrije markt, ook wel ‘creative destruction’ genoemd, door de overheid teniet gedaan, zegt Rogers. Anders gezegd: de winsten waren geprivatiseerd, maar de risico’s gesocialiseerd. Hadden regeringen zich niet bemoeid met de vrije markt, dan waren de overmoedige banken waarschijnlijk al in een eerder stadium afgestraft en was een bail out niet nodig geweest, aldus Rogers.
Welke ideologie de meeste verantwoordelijkheid voor de crisis toekomt, is moeilijk vast te stellen. Voor de hand ligt eerder om te concluderen dat het kapitalisme en het socialisme in de afgelopen twintig jaar een ongelukkig verbond zijn aangegaan. Aan de ene kant verwaarloosde de overheid uit naam van de vrije markt haar rol als hoeder van het publieke belang en tegelijkertijd wierp zij zich ook op als sociale investeringsstaat die als economisch vangnet fungeerde.
Juist dit ideologische compromis – beter bekend als De Derde Weg – is problematisch gebleken. Want het maakte risicovol gedrag ‘ondergewaardeerd’, zoals dat in economische termen heet: risico’s nemen, zoals goedkope leningen verstrekken, werd minder risicovol. En omdat deze Derde Weg onder leiding van de sociaaldemocraten werd ingeslagen (in Engeland onder Blair, in Nederland onder Kok), worden die partijen nu ook door de kiezer afgestraft voor het falen ervan.
Geen wonder dus dat Wouter Bos in zijn kortgeleden uitgesproken Den Uyl-lezing getiteld De Derde Weg voorbij expliciet afstand heeft genomen van deze filosofie. Volgens hem lag de „grote tragiek” van De Derde Weg in het feit dat „de op zich noodzakelijke wending van de sociaaldemocratie naar een positievere houding ten opzichte van bedrijfsleven, vrije markt en ondernemerschap, plaats vond op het moment dat het moderne kapitalisme van karakter aan het veranderen was”. Door globalisering en deregulering viel de vrije markt namelijk niet langer „te temmen”, aldus Bos. En het socialisme verergerde die ontembaarheid alleen maar: de staat stond immers garant.
De PvdA-leider stelt daarom voor om voortaan een scherpere scheiding tussen de vrije markt en het publieke belang aan te brengen. Zo wordt risico nemen op de vrije markt gedesocialiseerd (en dus ‘duurder’) en tegelijkertijd het publieke belang gedeliberaliseerd (en dus beter te waarborgen).
Wat dit afscheid van de Derde Weg in concreto betekent, liet Bos grotendeels in het midden, maar filosofisch gezien lijkt het een plausibele zet: het is een antwoord op een aantal ideologische tekortkomingen van de afgelopen kwart eeuw. Daarmee zal de partij het vertrouwen van de weggelopen kiezer moeten herwinnen. Of het buiten nu vriest of niet.
Verschenen in nrc.next op 10 januari 2010
http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-100-het-ongelukkige-compromis-van-de-socialist-en-de-kapitalist/
Leuk hoe jonge mainstream collumist filosofie van nrc next, rob wijnberg, elke dag steeds ietsje naar links opschuift. Hij neemt in zijn Blog Marx, Owen, Chomsky, Klein en Zizek al in een zin op, met een goed verhaal (hoewel nog zeer gebrekkig) over neoliberalisering van de sociaal-democratie.
De crisis was toch de schuld van het kapitalisme?
Maar kiezers keren juist de socialisten de rug toe. Als straf voor een ongelukkig ideologisch compromis
Door Rob Wijnberg
Aflevering 100 van de reeks dilemma’s die Rob Wijnberg bespreekt naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: de kiezers en de Partij van de Arbeid.
De PvdA verkeert in zwaar weer, letterlijk en figuurlijk. Begin vorige week vroegen PvdA’ers Paul Kalma en Pierre Heijnen aan staatssecretaris Bijleveld om uitstel van toekomstige gemeenraadsverkiezingen, omdat het in februari en maart „te koud” zou zijn om campagne te voeren. Alom viel hoongelach de twee Kamerleden ten deel. Het CDA stelde onmiddellijk vijftig groene mutsen ter beschikking en de eigen jongerenafdeling bood zelfs een retourtje Benidorm aan. Op internet werden Kalma en Heijnen uitgemaakt voor „watjes” die de kiezer „al jaren in de kou” hadden laten staan.
Politiek gezien was de uitspraak dan ook een „grote domme fout”, zoals partijleider Bos het zei. Maar metaforisch was het wel een treffende omschrijving van de staat waarin de PvdA verkeert. De gevoelstemperatuur zal binnen de sociaal-democratische gelederen niet erg hoog zijn. De partij schommelt immers al maanden rond de twintig zetels – een historisch dieptepunt. Lokaal zijn de vooruitzichten nog erger: in Amsterdam bijvoorbeeld wordt bij de komende gemeenteraadsverkiezingen een halvering van het zetelaantal voorspeld. En ook het ledenaantal van de partij, nu 54.500, is lager dan ooit.
Het slechte nieuws blijft bovendien aanhouden. Vlak na de blunder van Kalma en Heijnen kwam ook voormalig PvdA-leider Wim Kok in opspraak door, ten overstaan van de commissie-De Wit, de miljoenenbonussen in de financiële sector te verdedigen. Als premier had Kok in 1997 de enorme salarisverhogingen in het bedrijfsleven nog „exhibitionistisch” genoemd, maar als commissaris van ING ging hij zeven jaar later akkoord met een salarisstijging voor het bestuur van bijna 600 procent. Tegen de commissie zei Kok dat deze „opwaartse correctie van het beloningspakket” in het belang van de bank en van de „BV Nederland” was.
Daarmee werd het beeld van de PvdA als een elitaire regentenpartij die het contact met de ‘gewone man’ is kwijtgeraakt wederom bevestigd. Als schrale troost kan de partij aanvoeren dat de sociaal-democraten het ook elders in Europa moeilijk hebben. In Frankrijk bijvoorbeeld verloor de Parti Socialiste in 2007 de verkiezingen van de conservatief-liberale UMP met ruim zes procent – een voor Franse begrippen ruime marge. En in Duitsland won de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) in 2009 slechts 23 procent van de stemmen – de slechtste score sinds de Tweede Wereldoorlog. The New York Times sprak al van een „gestage ondergang van het Europese socialisme”.
Een veelgehoorde verklaring voor die ondergang is dat de natuurlijke achterban van de sociaal-democraten als vanzelf is verdwenen. Het sociaal-democratische programma is immers, zeker in Nederland, grotendeels gerealiseerd. Ons land kent een uitgebreid systeem van sociale zekerheid, een progressief belastingstelsel, een scala aan vakbonden, een wettelijk vastgesteld minimumloon en omvangrijke rechtsbescherming van werknemers. Partijen als de PvdA lijken dus een deel van hun bestaansrecht te hebben verloren. Dat wordt nog eens bevestigd door het feit dat de SP niet van de leegloop bij de PvdA profiteert. Ook die partij staat in de peilingen op de helft van het aantal zetels dat ze nu in de Tweede Kamer heeft.
Toch is dit verval in het licht van de huidige economische crisis wel opvallend te noemen. Volgens een grote groep prominente (linkse) denkers, onder wie Noam Chomsky, Slavoj Zizek en Naomi Klein, is de crisis die in 2007 begon immers voornamelijk te danken aan een politieke ideologie die het socialisme altijd heeft bestreden: het vrijemarktkapitalisme. Uitgaande van de kapitalistische stelregel dat het najagen van het individuele eigenbelang ook de gemeenschap ten goede zou komen, werden westerse economieën in razend tempo geliberaliseerd.
De staat trok zich terug uit de publieke sector door talloze overheidsdiensten te privatiseren. Ook de financiële sector werd sterk gedereguleerd. Zo kon een cultuur ontstaan van ‘exhibitionistische zelfverrijking’, zoals Wim Kok het noemde, waarin bedrijfswinsten, beurskoersen en bonussen belangrijker werden dan het collectieve welzijn. Toenemende ongelijkheid werd geaccepteerd uit naam van ‘marktwerking’ en arbeidsplaatsen werden zonder pardon uitbesteed aan lagelonenlanden onder het mom van ‘efficiency’, aldus critici.
Uit een verzet tegen deze cultuur is het socialisme nu juist voortgekomen. Aan het einde van de 18e eeuw waarschuwde de Britse filosoof Robert Owen (1771-1851) als een van de eerste denkers dat de Industriële Revolutie en de daarmee gepaard gaande concurrentie en privatisering van rijkdommen onherroepelijk zouden leiden tot perverse ongelijkheid en economische crises. Bovendien zette het kapitalistische systeem de mens aan tot winstmaximalisatie en dus tot egoïsme en asociaal gedrag, aldus Owen. Om dat tegen te gaan pleitte hij, net als zijn tijdgenoot Karl Marx (1818-1883), voor afschaffing van het kapitalisme gebaseerd op marktwerking en invoering van een planeconomie met de staat als hoeder van het collectieve belang.
In ideologische zin lijken de socialisten en sociaaldemocraten door de economische crisis dus gelijk te hebben gekregen. Miskent de kiezer dat door hen uitgerekend nu de rug toe te keren? Het lijkt erop, maar dat zou te kort door de bocht zijn, zeggen critici als historicus Thomas Woods (1972) en filosoof en grootinvesteerder James Rogers Jr. (1942). Het socialisme treft volgens hen namelijk evenveel – zo niet meer – blaam voor de crisis als het neoliberale kapitalisme.
Zo werd de Amerikaanse huizenbubbel mede veroorzaakt door de semipublieke hypotheekbanken Fanny Mae en Freddie Mac, die gesteund door de regering enorme risico’s konden nemen. De overheid had namelijk het ideaal voor ogen dat iedere Amerikaan eigenaar zou worden van een eigen huis en moedigde het daarom aan hypotheken te verstrekken aan families die zich dat niet konden veroorloven. Bovendien waren het overheden, niet de markt, die via de centrale banken geld bleven bijdrukken om de overmatige consumptie van het Westen te kunnen financieren, aldus Woods.
Dat de wereldwijde financiële sector uiteindelijk voor velen miljarden dollars van de ondergang werd gered, was bovendien ook een overheidsingreep. Zo werd de zuiverende werking van de vrije markt, ook wel ‘creative destruction’ genoemd, door de overheid teniet gedaan, zegt Rogers. Anders gezegd: de winsten waren geprivatiseerd, maar de risico’s gesocialiseerd. Hadden regeringen zich niet bemoeid met de vrije markt, dan waren de overmoedige banken waarschijnlijk al in een eerder stadium afgestraft en was een bail out niet nodig geweest, aldus Rogers.
Welke ideologie de meeste verantwoordelijkheid voor de crisis toekomt, is moeilijk vast te stellen. Voor de hand ligt eerder om te concluderen dat het kapitalisme en het socialisme in de afgelopen twintig jaar een ongelukkig verbond zijn aangegaan. Aan de ene kant verwaarloosde de overheid uit naam van de vrije markt haar rol als hoeder van het publieke belang en tegelijkertijd wierp zij zich ook op als sociale investeringsstaat die als economisch vangnet fungeerde.
Juist dit ideologische compromis – beter bekend als De Derde Weg – is problematisch gebleken. Want het maakte risicovol gedrag ‘ondergewaardeerd’, zoals dat in economische termen heet: risico’s nemen, zoals goedkope leningen verstrekken, werd minder risicovol. En omdat deze Derde Weg onder leiding van de sociaaldemocraten werd ingeslagen (in Engeland onder Blair, in Nederland onder Kok), worden die partijen nu ook door de kiezer afgestraft voor het falen ervan.
Geen wonder dus dat Wouter Bos in zijn kortgeleden uitgesproken Den Uyl-lezing getiteld De Derde Weg voorbij expliciet afstand heeft genomen van deze filosofie. Volgens hem lag de „grote tragiek” van De Derde Weg in het feit dat „de op zich noodzakelijke wending van de sociaaldemocratie naar een positievere houding ten opzichte van bedrijfsleven, vrije markt en ondernemerschap, plaats vond op het moment dat het moderne kapitalisme van karakter aan het veranderen was”. Door globalisering en deregulering viel de vrije markt namelijk niet langer „te temmen”, aldus Bos. En het socialisme verergerde die ontembaarheid alleen maar: de staat stond immers garant.
De PvdA-leider stelt daarom voor om voortaan een scherpere scheiding tussen de vrije markt en het publieke belang aan te brengen. Zo wordt risico nemen op de vrije markt gedesocialiseerd (en dus ‘duurder’) en tegelijkertijd het publieke belang gedeliberaliseerd (en dus beter te waarborgen).
Wat dit afscheid van de Derde Weg in concreto betekent, liet Bos grotendeels in het midden, maar filosofisch gezien lijkt het een plausibele zet: het is een antwoord op een aantal ideologische tekortkomingen van de afgelopen kwart eeuw. Daarmee zal de partij het vertrouwen van de weggelopen kiezer moeten herwinnen. Of het buiten nu vriest of niet.
Verschenen in nrc.next op 10 januari 2010
http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-100-het-ongelukkige-compromis-van-de-socialist-en-de-kapitalist/
Leuk hoe jonge mainstream collumist filosofie van nrc next, rob wijnberg, elke dag steeds ietsje naar links opschuift. Hij neemt in zijn Blog Marx, Owen, Chomsky, Klein en Zizek al in een zin op, met een goed verhaal (hoewel nog zeer gebrekkig) over neoliberalisering van de sociaal-democratie.